Welkom op de Nederlandse
informatiepagina over synesthesie (www.synesthesie.nl).
De pagina bevat onder meer:
Colofon
De Nederlandse Synesthesie Pagina wordt gemaakt door
Crétien van Campen.
Voor meer informatie over synesthesie en suggesties voor deze pagina kunt u een
bericht
sturen naar de
webmaster
(c) Crétien van Campen 2006.
Gebruik van tekstgedeelten van deze pagina is
toegestaan mits met de bronvermelding: "Nederlandse Synesthesie Pagina,
www.synesthesie.nl".
Synesthesie is het verschijnsel dat wanneer een zintuig geprikkeld wordt, bijvoorbeeld men hoort de klank van een woord, men ook gewaarwordingen van een ander zintuig ervaart, men ziet bijvoorbeeld tegelijkertijd de kleur blauw. In dit geval 'hoort men kleuren' en dit noemt men kleurwoordsynesthesie. Ook andere combinaties van zintuiglijke overdracht komen voor. Sommigen ervaren vormen bij het proeven van gerechten, weer anderen horen klanken bij geuren enzovoort. De combinatie kleur-woord lijkt het meest voor te komen en is het meest wetenschappelijk vastgesteld.
Hoe vaak komt synesthesie voor? Volgens recente schattingen van onderzoekers komt synesthesie bij ongeveer 1 op de 20 personen voor.
De belangstelling voor synesthesie is minstens zo oud als de Griekse wijsbegeerte. De antieke wijsgeren vroegen zich reeds af of klankkleur (timbre) een fysieke eigenschap was van muziek zoals toonhoogte dat is. Nadat Pythagoras de mathematische orde van muzikale harmonie had ontdekt door de afstanden van snaren te relateren aan opeenvolgende octaven, vatte de idee post dat kleuren en klanken in het universum volgens mathematische wetten gekoppeld waren.
Het eerste
bekende experiment om deze veronderstelde kleur-klank correspondenties in de praktijk te
toetsen, vindt men echter pas in de zestiende eeuw bij de Milanese kunstenaar Arcimboldo,
bekend van zijn groente- en fruitportretten. Bij gebrek aan een mathematische
kleurenharmonieleer leidde Arcimboldo uit het Pythagorese systeem van gelijke
toonintervallen een corresponderende schaal af van grijswaarden tussen zwart en wit. Hij
vertaalde dit naar verftinten en haalde een musicus aan het hof van Rudolf II in Praag
over om geverfde papierrepen op zijn gravicembalo aan te brengen.
Een theoretisch probleem was niet alleen dat een mathematische kleurenharmonieleer
ontbrak naar voorbeeld van de muzikale harmonieleer van Pythagoras, maar ook hoe deze twee
mathematische systemen vervolgens met elkaar in verband gebracht moesten worden. Newton
probeerde deze problemen op te lossen door aan te nemen dat muzikale harmonieën door
middel van geluidstrillingen gerelateerd waren aan de frequenties van lichtgolven en hun
harmonieën. Op grond van Newtons
theorie begon de Franse Jezuïet Castel in de
jaren 1720 aan de ontwikkeling van een kleurenklavecimbel (clavecin oculaire). Castel
wijzigde de Newtoniaanse schalen in schalen van 12 tonen en kleuren onder invloed van zijn
tijd- en landgenoot de componist Rameau, die binnen een octaaf zes consonanten van de
eerste orde en zes consonanten van de tweede orde onderscheidde. Met hulp van de
instrumentenbouwer Rondet
ontwierp Castel een clavecimbel met gekleurde papierstroken die boven het
deksel van het muziekinstrument verschenen zodra een noot aangeslagen werd. De
papierstroken werden beschenen door kaarslicht. Tijdgenoten waaronder de componist
Telemann rapporteerden echter dat het instrument nooit afgemaakt werd, of dat andere
versies met kleurenlantarens en kaarsen in ontwikkeling waren.
Een vergelijking van de beschrijvingen door Arcimboldo en Castel toont dat, door het oplossen van musicologische en mathematische problemen, de theorieën omtrent de relatie tussen klank- en kleurenharmonieën complexer en verfijnder geworden waren, zozeer dat erkende meesters als Telemann en Rameau zich met de ontwikkeling van clavecins oculaire inlieten. De praktische uitvoering van de verfijndere ideeën werd echter belemmerd door technische problemen.
De uitvinding van de gaslamp in de negentiende eeuw bracht nieuwe mogelijkheden.
Frederick Kastner ontwikkelde een soort gaslampenorgel genaamd pyrophone, dat bestond uit
dertien met folie omwikkelde gasbranders die kristallen kolven verlichten. De term
`kleurenorgel' (Colour-Organ) vindt men voor het eerst in een patentaanvraag uit 1893 van
Rimington.
Zijn ongeveer drie meter hoge kleurenorgel lijkt op een gewoon huisorgel waar een kast met
14 gekleurde lampen aan toegevoegd is. Het schijnsel van de gekleurde lampen kon worden
geregeld met gradaties van tint, helderheid en verzadiging. Dat was een enorme vooruitgang
ten opzichte van de met papierstroken opgetuigde clavecimbels uit de voorgaande eeuw.
Zoals de meeste kleurenorgels bracht Rimingtons instrument geen muzikale geluiden voort.
Het kleurenorgel moest synchroon spelen met een orgel dat wel muzikaal geluid voortbracht.
In de Musical Courier van 8 juni 1895 staat dat Sir Arthur Sullivan improviseerde op het
kleurenorgel, volgens de verslaggever echter met `gesloten ogen'. Op 6 juni had Rimington
zijn kleurenorgel in Londen gedemonstreerd voor een publiek van 1.000 toehoorders en
toeschouwers. In 1895 gaf Rimington nog vier concerten met muziek van Wagner, Chopin, Bach
en Dvorak. Een toehoorder/schouwer schreef dat: `after a little study there is no
difficulty in the recognition of rythmic sequences'.
Na de oplossing van een reeks
technische problemen werd het rond de eeuwwisseling mogelijk uitvoeringen te geven van
concerten met licht- en muziekinstrumenten. Vervolgens kwamen psychologische vragen naar
voren over de effecten van synesthetische uitvoeringen op de zinnen van toeschouwers. Met
name de Russische componist Skrjabin interesseerde zich voor de psychologische effecten
van het gelijktijdig gewaarworden van klanken en kleuren.
Volgens Skrjabin werkte de juiste corresponderende kleur bij een muziekstuk
als `a powerful psychological resonator for the listener'. Skrjabin lichtte zijn
denkbeelden toe in Londen op uitnodiging van de experimentele psycholoog Myers. Na een
uitvoering van Prometheus in Londen schrijft Skrjabin aan Tatiana Shletser: `Morgen rijden
A.N. en ik naar Cambridge waar we de gehele dag zullen doorbrengen op uitnodiging van twee
professoren. Zij zijn geïnteresseerd in de kleurensymfonie en mijn ideeën in het
algemeen. Een interview met hen moet erg interessant zijn.' Skrjabin verklaarde tegenover
Myers dat wanneer de toonaard van een stuk veranderde ook de kleur veranderde: `de kleur
onderstreept de tonaliteit; het maakt de tonaliteit evidenter.' Soms werd Skrjabin eerder
de verandering in kleur gewaar dan de verandering in toonaard. Daarom zou volgens hem de
toevoeging van kleur aan muziek de auditieve en visuele effecten simultaan versterken.
Zijn kleurervaringen waren niet altijd even sterk bij het luisteren naar muziek. Hij
vertelde meestal een gevoel van kleur te hebben. Maar zodra het gevoel intenser werd, ging
het over in een beeld van een kleur. En niet alle muziek gaf hem kleurgewaarwordingen. De
`oude' muziek zoals de symfonieën van Beethoven met veelvuldige veranderingen van
toonaard riepen weinig kleur op: `Ze zijn te intellectueel. [...] Het heeft niet de
psychologische basis van moderne muziek'.
In tegenstelling
tot de eerdere uitvoeringen door kleurorganisten ging Skrjabin voor zijn synesthetische
composities, zoals Prométhée, poème du feu niet uit van toon-kleur
correspondenties maar van veranderingen in toonsoorten. Als de tonaliteit veranderde,
veranderde de kleur. Op basis van kleur-toon correspondenties zouden toeschouwers tijdens
het aanslaan van akkoorden een bombardement van kleurindrukken voorgeschoteld krijgen.
Skrjabin veranderde de kleur slechts bij de overgang naar een volgende toonsoort, hetgeen
de lichtervaring duurzamer en intenser maakte. In Prométhée schreef hij aparte partijen
voor de tastiere per luce, een kleurenorgel dat vermoedelijk op zijn kennis van Rimingtons
kleurenorgel gebaseerd was.
Skrjabins eerste mogelijkheid zijn theorie in de praktijk te toetsen mislukte in 1911
in Moskou omdat het apparaat dat het licht zou produceren niet werkte. De eerste
uitvoering in 1915 in New York maakte Skrjabin niet meer mee. Daar werd voor het
lichtgedeelte gebruik gemaakt van de speciaal voor de Prometheus gemaakte chromola. De
chromola projecteerde 12 kleuren op een klein wit scherm en werd aangedreven door 15
toetsen. Het resultaat werd niet gewaardeerd door het publiek. Een criticus vergeleek de
uitvoering
met een 'pretty poppy show'. Recentelijk heeft de Nederlandse kunstenaar en
kleurdeskundige Peter Struycken een nieuwe kleurencompositie gemaakt bij het symfonisch
gedicht van Skrjabin. In de Rotterdamse Doelen werd de computeranimatie getoond op een
groot scherm achter het orkest. Verschillende versies van dit synesthetische kunstwerk
zijn op televisie en in het Groninger Museum vertoond.
Een tweede nieuwe weg die door Skrjabin en andere kunstenaars uit zijn tijd waaronder Kandinsky en Schönberg verkend werd, was de toepassing van synesthetische dissonanten in plaats van consonanten. In het verleden waren kleurenharmonieën `afgestemd' op de muzikale harmonieën. Skrjabin liet de partijen van de tastiera per luce twee harmonielijnen volgen waarvan er een tegenklonk en een meeklonk met de muzikale lijnen van de symfonie.
Het resultaat dat Skrjabin poogde te bereiken, was dat de auditieve gewaarwordingen van de muziek van accenten werden voorzien door de consonante en dissonante begeleiding van de tastiera per luce. Skrjabin kwam tot de conclusie dat gekleurd licht een `krachtig psychologisch klankbord voor de luisteraar' was, dat de muzikale gewaarwordingen psychologisch intensiveerde.
Ook bij de symbolistische schilders uit de negentiende eeuw vindt men verfijnde experimenten met synesthesie. Hun belangstelling voor synesthesie had twee belangrijke achtergronden. Ten eerste werd tegen de muziek door beeldend kunstenaars opgezien als de hoogste trap van de kunsten, die een immateriële of ideële kunstvorm benaderde. De tweede belangrijke aanleiding was het Gesamtkunstwerk dat onder meer door Wagner als ideaal van de kunst was aangewezen. In het Gesamtkunstwerk waren de visuele, auditieve en andere onderdelen op elkaar afgestemd als één gestaltervaring.
De experimenten met synesthesie door symbolistische kunstenaars hielden het midden tussen het luisteren naar muziek tijdens het schilderen (Delacroix en Mengs floten tijdens het schilderen om de juiste sfeer te pakken ) en het opstellen van synesthetische vuistregels voor het schilderen. Van Gogh nam in 1885 pianolessen om met de nuances van klankkleur kennis te maken. Maar zijn oudere leraar stuurde hem, volgens de anekdote, al snel weg toen hij zag dat Van Gogh voortdurend bezig was de noten van de piano te vergelijken met Pruissisch blauw, donkergroen, donkeroker, enzovoort tot en met cadmium-geel. De leraar dacht dat hij met een gek te maken had.
Er
ontstond in de negentiende eeuw een traditie van muzikale schilderijen, die onder meer van
invloed was op de Utrechtse schilder-mysticus Janus de Winter. Op verzoek van de
psycholoog Ten Haeff beschreef Janus de Winter uitvoerig zijn synesthetische ervaringen.
De Winter schreef in een brief aan Ten Haeff: `Trombones, horens, trompetten van rood over
oranje naar geel; hobo's clarinetten en fluiten variëren van donkerbruin over olijfgroen
en donkergroen naar licht geel-groen; cello's van rood of bruinviolet tot blauw en purper;
violen kunnen alle kleuren uitdrukken, die dan altijd gemengd zijn met zilveren grijs..
Beethoven werkt veel met rood, maar ook met purper, violet en prachtig groen, zilver en
grijs, terwijl Chopin duistere kleuren oproept.'.
De eerste synesthetische experimenten waarbij beeldend kunstenaars, componisten, dansers en theatermakers samenwerkten werden uitgevoerd onder de vlag van de kunstenaarsgroep de Blaue Reiter. De uitgangspunten van de Blaue Reiter waren: vereniging van de kunsten (in de vorm van Gesamtkunstwerken), vrijheid van expressie (abstractie) en spiritualiteit (ideaal van een immateriële, geestelijke kunst). Kandinsky's theorie over synesthesie die hij uiteen had gezet in Über das Geistige in der Kunst vormde een belangrijke peiler voor de experimenten. Hij omschreef synesthesie als een verschijnsel waarbij een gewaarwording van het ene zintuig naar het andere zintuig wordt doorgegeven zoals door de sympathie der tonen in muziek. Tijdens zijn Bauhaus-lessen gebruikte hij het volgende voorbeeld: als een noot op een piano wordt aangeslagen gaat dezelfde noot van een piano daarnaast weerklinken. Hij vergeleek de menselijke zenuwen met de snaren van een piano.
In
de synesthetische experimenten van de Blaue Reiter,
die later werden voortgezet aan het Bauhaus, werden twee essentiële problemen onderzocht:
dissonantie en temporaliteit. Het probleem van synesthetische dissonantie, dat ook door
Skrjabin werd onderzocht, had de belangstelling van Kandinsky en Schönberg. Nadat
Schönberg zijn atonale harmonieleer van dissonanten had geformuleerd, wilde Kandinsky
deze toepassen in de schilderkunst en het theater. Hij experimenteerde in zijn theaterstuk
Der gelbe Klang uit 1912 met het tegenover elkaar stellen van drie typen beweging:
beeldbeweging (film), muzikale beweging en fysieke beweging (dans): 'De toename van de
muzikale dynamiek kan corresponderen met een afname van de dansante beweging, waarbij
beide bewegingen (de positieve en de negatieve) een grote innerlijke kracht bereiken enz.,
enz. Een serie van combinaties ligt tussen de polen: samenwerking en samenstelling'. Net
als Skrjabin wil Kandinsky tegenstellingen en samenklanken afwisselen om de
(synesthetische) gewaarwordingen te intensiveren, zodat ze in zijn woorden een `diepere
innerlijke werking' zouden krijgen.
Samen met de componist
Hartmann en de danser Sacharoff onderzocht hij de synesthetische relaties tussen de drie
bewegingen: `In het buitenland experimenteerde ik samen met een jonge musicus en een
danser. De musicus koos uit een serie aquarellen er een uit die hem in muzikaal opzicht
het duidelijkst voorkwam. In afwezigheid van de danser speelde hij deze aquarel. Daarna
kwam de danser erbij, werd de muziek gespeeld, danste hij erop en raadde dan welke aquarel
hij had gedanst.' Schönberg voerde vergelijkbare experimenten uit in zijn theaterstuk Die
glückliche Hand uit 1913.
Beweging of temporaliteit was een probleem dat men behalve bij de Blaue Reiter bij de meeste vooruitstrevende kunstenaars (o.m. bij de futuristen, kubisten en de leden van De Stijl) tegenkomt. De schilderkunst vond men een statische kunstvorm. Aan de twee dimensies van het schilderij wilde men behalve de derde dimensie door middel van perspectief ook de vierde dimensie toevoegen door middel van de suggestie van beweging.
Mondriaan onderzocht het probleem van het zien van beweging in zijn ogenschijnlijk statische rastercomposities. De eerste rasterschilderijen rond 1920 waren een mijlpaal in Mondriaans oeuvre. Volgens Mondriaan misten deze uitbeeldingen van de universele verhoudingen nog een belangrijk kenmerk van de werkelijkheid: ritme. Het zien van de realiteit was volgens Mondriaan door de klassieke schilderkunst opgesloten in vormen. Om de waarneming te bevrijden van haar ketens moest de vorm vernietigd (teruggedrongen) worden en het ritmische aspect de ruimte gegeven worden. Volgens Mondriaan hadden de futuristen en de kubisten pogingen ondernomen de vorm op te heffen en meer ruimte te geven aan ritme. Het was hen echter niet gelukt om enkel ritme te beelden.
Een
vroege poging van Mondriaan is de `Compositie met grijze lijnen' uit 1918. Het ruitvormige
schilderij bestaat uit een raster van vierkanten en ruiten die elkaar in de hoeken
doorsnijden. Mondriaan varieerde systematisch de dikte en de grijstinten van de lijnen
waardoor de toeschouwer niet een statisch maar een ritmisch bewegend raster gewaarwordt.
Doordat de ogen geneigd zijn lijnen van gelijke dikte en gelijke kleur te volgen wordt de
blik stapsgewijs door het schilderij gevoerd, als waren het danspassen. De synesthesie van
beweging in visuele rasters bleef een belangrijk thema in Mondriaans experimenten,
culminerend in de Boogie-Woogie schilderijen aan het einde van zijn leven.
Mondriaans
synesthetische experimenten met ritme in visuele rasters namen decennia in beslag maar de
resultaten ervan zijn als een van de weinige in de kunst bijna onomstreden. Al in zijn
tijd werd men het ritme in deze composities duidelijk gewaar. In 1948 schreef James
Johnson Sweeney over de Boogie-Woogies: `Het oog wordt in verschillende snelheden van de
ene naar de andere groep tinten gevoerd. Gelijktijdig en contrasterend met de eindeloze
wisselingen in de kleinere motieven overheerst de constante herhaling van het
rechthoek-thema dat als een constante bas-aanslag door een spervuur van snellende
arpeggio's en gracieuze klarinettonen heendreunt.'
Kende het uitvoeren van synesthetische experimenten in de tijd van Mondriaan, Kandinsky
en Skrjabin nog veel technische belemmeringen, na de Tweede Wereldoorlog vereenvoudigde de
snelle technologische vooruitgang van visuele en auditieve instrumenten het uitvoeren van
synesthetische experimenten aanzienlijk. De nadruk van artistieke experimenten ligt
sindsdien voornamelijk op het verkennen van nieuwe technische mogelijkheden. Van de
experimentele Bauhausfilms tot de Walt Disney studio's wordt geëxperimenteerd met
synesthetische effecten. Disney klassiekers van Fantasia
tot
Alladin maken gebruik van correspondenties tussen muziek- en beeldbewegingen. Het werk van
moderne muziekcomposities wordt steeds vaker begeleid door film en kleurensynthesizers.
Multimediale kunststromingen zoals de kinetische en digitale kunst op het Internet, zijn
geen uitzondering meer. In de rock-, disco en housemuziek zijn de lichteffecten niet meer
weg te denken en de zender MTV heeft de synesthetische ervaring van beeld en geluid tot de
norm gemaakt in de popmuziek.
Een van de grondleggers van de moderne psychologie, Gustav Theodor Fechner,
ondervroeg rond 1871 aan 73 proefpersonen welke kleuren zij bij letters 'zagen'. Fechners
experiment kreeg navolging en met name de correspondenties van kleuren met (mede)klinkers
en getallen werden uitvoerig onderzocht. Uit een meta-analyse van 35 studies met in totaal
400 personen blijkt dat moeilijk algemene regels voor kleur-letter of kleur-getal
correspondenties af te leiden zijn. Met één uitzondering, namelijk dat de resultaten
redelijk te ordenen zijn op de dimensie helderheid. De `i' en de `e' worden bijvoorbeeld
meestal verbonden met een heldere, lichte kleuren.
Er is experimenteel een overeenkomst geconstateerd tussen de helderheid van geluiden en geuren. Dit zou kunnen wijzen op het universele karakter van helderheid als gemeenschappelijke zintuiglijke dimensie. De helderheid van de geur van benzol bleek door proefpersonen vergelijkbaar te zijn met een grijswaarde, die bestond uit 60% zwart en 40% wit. Als volgende stap liet men een bij de geur behorende toon kiezen. Een toon van 220 Hz bleek volgens de waarnemers dezelfde helderheidsgraad uit te drukken. Als proef op de som liet men de grijswaarde van de toon afzonderlijk vaststellen en dit leverde een grijswaarde op dat bestond uit 59% zwart en 41% wit. Men trok hieruit de conclusie dat een enkele interzintuiglijke dimensie verantwoordelijk was voor dit resultaat en baseerde op deze universele helderheidsdimensie een theorie over de eenheid van de zintuigen.
De eenheidsthese werd met name ontwikkeld door gestaltpsychologisch georiënteerde onderzoekers zoals Von Hornbostel, Werner en Köhler. Volgens Hornbostel is helderheid de centrale dimensie, die in alle zintuiglijke ervaringen voorkomt (donker-licht, glad-ruw, hard-zacht, scherp-dof, licht-zwaar, koud-warm). Hornbostel voerde in de jaren 1930 experimenten uit waarbij hij proefpersonen vroeg verschillende typen stimuli achtereenvolgens te matchen. Eerst gaf hij zijn proefpersonen een geur en vroeg hen bij de geur een kaart met een in helderheid corresponderende grijswaarde te kiezen. Vervolgens werd hen gevraagd bij de geur een in helderheid corresponderende toonhoogte te kiezen. Uiteindelijk matchte de proefpersonen een grijskaart met de gekozen toon. De gekozen grijskaarten uit de twee matchparen bleken dicht bij elkaar te liggen. Volgens Von Hornbostel een bewijs voor de eenheidsthese. Hornbostel was overigens van mening dat de eenheid van de zintuigen de basis voor de eenheid van de kunsten vormde. Een ontwikkelingspsychologische variant op de eenheidsthese werd ontworpen door Werner. Hoewel volwassenen de gewaarwordingen van verschillende zintuigen differentiëren was er volgens hem bij kinderen sprake van een ongedifferentieerde waarneming. Hiermee kwam de nadruk kwam te liggen op het proces van synesthetisch gewaarworden. De gestaltpsycholoog Zietz experimenteerde in de jaren 1931 als een van de eersten met procesmatig aspecten van synesthesie. Hij onderzocht of auditieve stimuli de kleur van de nabeelden beïnvloedden en stelde vast dat bij hoge tonen de kleuren sterker en helderder werden en de beweging van de nabeelden leek te versnellen. Zietz concludeerde dat toon- en kleurindrukken onderdeel uitmaken van de gehele ervaring en elkaar ten dele beïnvloeden tijdens waarnemingen.
De hersenen zijn een grijze diepgeplooide massa van ongeveer drie pond ter grootte van twee vuisten. Hoe kan deze grijze substantie kleuren zien? Verkleuren delen van de hersenen in rode, groene en andere tinten? Deze middeleeuwse gedachte (in feite dacht men dat de oogbol verkleurde) is allang door hersenonderzoek verworpen. Bij het zien van rood blijven de hersenen grijs. Hoe werkt het dan? Waar zit dat gevoel van echt dieprood van bijvoorbeeld geverfde lippen. En hoe kunnen de hersenen verliefd worden op roodgeverfde lippen?
Het deel
van de hersenen dat het meeste met kleur te maken heeft is de visuele cortex. Deze is
gelegen tegen het achterhoofd in de diepgeplooide hersenschors die direct onder de schedel
ligt. In de afbeelding hiernaast is weergeven langs welke wegen lichtweerkaatsingen
omgezet worden in kleurervaringen. Het ovale veld dat men in een oogopslag ziet, wordt het
visuele veld genoemd. Dit wordt opgedeeld in een linker- en een rechterveld. Het licht van
het linkerveld valt in de rechterhelften van het linker- en het rechteroog. En het licht
van het rechterveld valt in de linkerhelften van beide ogen. Het licht wordt door de
kegeltjes in beide netvliezen omgezet in kleurcodes die via de oogzenuwen naar de visuele
cortex gestuurd worden. Zoals in het figuur is aangegeven komt het linkerdeel van het
visuele veld in de rechterhersenhelft en het rechterdeel in de linkerhersenhelft. In de
visuele cortex worden de codes verder geanalyseerd en verwerkt tot bruikbare informatie,
die de motorische gedeelten van de hersenen kan aansturen (om bijvoorbeeld het hoofd een
beetje naar voren te bewegen om de rode lippen te kunnen kussen).
De kunstschilder Jonathan werd door een hersenletsel ten gevolge van een auto-ongeluk beroofd van zijn vermogen om kleuren waar te nemen. Zijn visuele wereld leek veranderd in het scherm van een zwart-wit televisie. Deze vorm van kleurenblindheid wordt achromatopsie genoemd. Neurologisch onderzoek wees uit dat Jonathans hersenen beschadiging hadden opgelopen maar dat zijn ogen nog intact waren: de voor kleurregistratie verantwoordelijke kegeltjes in het netvlies functioneerden normaal. Jonathan bleek nog zeer goed de verfnummers van de kleuren te kunnen noemen op basis van de grijstinten die hij zag. De kleuren werden in zijn hersenen nog steeds geregistreerd maar niet meer ervaren. Door zijn jarenlange ervaring als kunstschilder kende hij alle kleuren nog uit zijn hoofd en kon de verfnummers noemen van wat hij zag maar hij kon de kleuren niet meer voelen, hetgeen hem na verloop van tijd in een diepe depressie deed belanden, waar hij naar verluidt pas uitkwam toen hij de vitaliteit van grijstinten ging voelen en schilderen.
Terwijl zijn ogen normaal functioneerden zag Jonathan toch geen kleuren. Men kan de zaak ook omdraaien. Zijn de ogen wel nodig om kleuren te ervaren? Uit de neurologische literatuur komen opmerkelijke gevallen voor van mensen die kleuren ervaren bij het horen van klanken en het proeven van smaken. De neuroloog Richard Cytowic beschrijft het geval van Victoria die in het ziekenhuis bij het horen van de hoge tonen van dokter Cytowics pieper visuele gewaarwordingen krijgt van 'verblindende rode kartels' en 'bliksemschichten' die pijn aan haar ogen doen. Ze ervaart kleuren bij het horen van plotselinge hoge geluiden zoals sirenes, piepende banden en soms bij hoge tonen in luid gespeelde muziek. Het lage blaffen van haar hond bezorgt haar geen kleurervaringen maar de keffende chihuahua van de buren maakt haar gek vanwege de witte scherpe punten die ze dan ziet.
De Russische neuroloog Aleksandr Luria experimenteerde met een heer S. die bij het horen van tonen spontaan kleuren ging zien. In het jaren vijftig laboratorium bood Luria een toon van 2.000 Herz aan en S. beschreef de toon als volgt: 'Het ziet er uit als vuurwerk met een floers van roodroze'.
De journaliste Alison Motluk ziet al sinds haar jeugd woorden en letters in kleur. Een S is kersenrood, een R zwart. Ze was uitermate verrast toen bleek dat andere mensen niet de ervaring hadden. Het is voor haar zo echt als voor een ander een rozeblaadje rood is. De kunstschilderes Elizabeth Stewart-Jones ziet ook gekleurde woorden en letters. Ze maakt abstracte kleurenstudies op basis van namen van bekenden. Ze vertelde Motluk eens dat de naam Brahms niet zo donker is als Rachmaninov en dat de vorm ronder is, terwijl Rachmaninov rechthoekig en puntig is. Maar voor Motluk is dat weer anders. Voor haar is de naam Brahms een donkerblauw vlak met spetjes van de zwarte R en de rode A, terwijl Rachmaninov een diepzwarte naam is. De kleuren van de letters bepalen meestal de kleur van het woord. De eerste letter geeft meestal de dominante kleur. Voor Motluk zijn de woorden rain, run, en right allen zwart vanwege de overheersende zwarte R.
Is het horen van kleuren normaal? De meningen lopen hierover uiteen. De een vermoedt dat synesthesie duidt op een soort kortsluiting in de hersenen, waardoor per ongeluk auditieve en visuele gebieden in de hersenschors verbonden worden. Een ander vermoedt dat het een overblijfsel is uit primitievere lagen van de hersenen. Van pasgeboren baby's wordt beweerd dat ze synestheet zijn omdat ze nog geen onderscheid tussen geluiden, smaken, beelden en andere zintuiglijke prikkels. Iedereen zou in die optiek als synestheet geboren worden en deze gave in de ontwikkeling verloren hebben. In de wereld van de meeste mensen heeft alleen licht kleur, terwijl in de synesthetische wereld ook muziek, woorden en smaken kleur kunnen hebben.
Kan men dit vermogen om kleuren te horen of te proeven nog terughalen? Er zijn een paar experimenten met psychofarmaca gedaan waarin dit kleurgevoel inderdaad terugkwam. De waarnemingspsycholoog Richard Gregory kreeg onder begeleiding van twee assistenten in een laboratorium het anesthetische middel ketamine geïnjecteerd en rapporteerde zijn ervaringen. Enkele daarvan waren synesthetisch: Nadat hij zijn ogen sloot, plaatste een van de assistenten een borstel in zijn rechterhand. Toen zijn vingers over de pinnen gleden kreeg hij een gewaarwording van rode wol, in vierkanten geweven, zoals een tapijt: 'paars, rode beelden [...] zeer verzadigd zoals Turkse tegels, oranje, groen en rood.' Daarna gaf de assistent een kam in zijn hand en Gregory kreeg levendige gewaarwordingen van groen en rood wanneer de kam in zijn hand beweegt. Toen de assistent met de kam over zijn hand aaide, kreeg hij zelfs gewaarwordingen van groene en rode lichtjes.
Uit de psychiatrie zijn nog enkele beschrijvingen bekend waarbij het toedienen van anti-depressiva en anti-epileptica tot gevolg had dat de synesthetische ervaringen van patiënten afnamen. Al rond 1860 werd er door de Franse schrijvers Baudelaire en Gautier geëxperimenteerd met drugs en synesthesie. Er bestond destijds een Club de Hachichins in Parijs waar kunstenaars samenkwamen en onder toezicht van de Franse arts Moreau hasjiesj namen. De schrijver Gautier heeft zijn ervaringen achteraf beschreven en noteerde onder meer dat:
Mijn gehoor was buitengewoon
ontwikkeld; ik hoorde het lawaai van de kleuren. Groene, rode, blauwe, gele klanken
bereikten me in volstrekt gescheiden golven. [...] Meer dan vijfhonderd pendules sloegen
de tijd met hun fluitende, koperachtige, zilverkleurige stemmen. Uit ieder aangeraakt
object kwam een klank van een harmonica of een Aeolische harp.
Tot slot, de vraag hoe de grijze hersenen kleuren kunnen zien heeft verrassende nieuwe vragen opgeleverd. Niet alleen door stimulering van de ogen maar ook door het stimuleren van de andere zintuigen worden kleuren ervaren. De relatie tussen kleur en hersenen blijft nog grotendeels onbekend terrein. Hoewel wetenschappelijk vastgesteld is dat de visuele hersenschors betrokken is bij kleurervaringen en dat daar kleurcoderingen verwerkt worden, is het nog lang niet duidelijk of daar nu ook de kleur gevoeld wordt. Want wat te denken van een in grijstinten ziende kunstschilder die bijna feilloos kleuren kan benoemen, een patiënt die met haar ogen dicht kleuren proeft, en een journaliste die ook met haar ogen dicht kleuren ziet in woorden. Het is maar een kleine greep uit de mogelijke kleurervaringen van mensen. Kleurenzien blijkt niet alleen aan de ogen voorbehouden. In de taal bestaan uitdrukkingen met kleur voor veel zaken die feitelijk geen kleur hebben. Rood is een warme kleur, blauw een koude; wijn heeft een bouquet en muziek bezit timbre of kleurklank. Uit welke diepe lagen van de hersenen komen die taaluitdrukkingen? Zouden de hersenen niet alleen de visuele maar alle menselijke ervaringen van kleur voorzien? Een ding lijkt zeker. Kleur roept veel op in de hersenen. Soms zoveel dat ze volledig uit hun bol lijken te gaan.
© Crétien van Campen 2005
Hebben jouw woorden kleur? Test zelf of je synesthetisch bent aangelegd. Schrijf onderstaande woorden op een papier, en vermeld bij elk woord welke kleur je er het sterkst bij ervaart. Vouw het papier dicht en kijk er minstens een week niet meer naar. Na minstens een week herhaal je bovenstaande stappen. Vergelijk de kleur-woord combinaties van de eerste en tweede keer. Heb je bij achttien woorden of meer dezelfde kleur genoteerd? Dan heb je een zeer sterke vorm van woordkleursynesthesie!
twee guur wenen functionaris voor zeven klus acht onder mouw drie regel faal mis jou koeren pauw haast vin vrijdag
Zie je vaker getallen en cijfers in kleur? Maak dan een lijstje van twintig willekeurige getallen tussen 0 en 100 en doe dezelfde test.
Zie je muziek in kleur? Vraag een musicus of maak zelf een lijstje van twintig tonen en doe dezelfde test. Laat een musicus de 20 tonen voorspelen en noteer bij elke toon welke kleur je het sterkst ervaart.
Heb je bij een of meer onderdelen een score van achttien of meer dan heb je een sterke vorm van synesthesie.
Een uitgebreidere zelftest voor kleursynesthesie is opgenomen in de bijlage van het boek Tussen zinnen.